ZOMERSCHOOL 2018 ‘Er is geen andere mogelijkheid dan moed’

 

Mystieke teksten voor mensen van nu door vrouwen van geloof: Simone Weil, Etty Hillesum, Dorothee Sölle, Ida Gerhardt en Maria de Groot
Zes zomerochtenden buigen wij ons onder leiding van ds. Nielspeter Jans over inspirerende geloofsteksten.
Data en tijd: maandag en donderdag: 13, 16, 20, 23, 27 en 30 augustus, 10.00 – 12.00 uur
Locatie: Vrijheidskerk, Hobbemalaan 2a, Alkmaar
Een leesmap wordt aangereikt; een vrijwillige bijdrage wordt op prijs gesteld.
Opgave: Hannie Ulrich, tel. 072 512 05 52 of Nielspeter Jans tel. 072 515 76 25 (jansponne@hetnet.nl).

 

INTRODUCTIE


Simone Weil, Uitleg van het Onze Vader, 1941, over ‘Onze Vader die in de hemelen is’
Hij is onze Vader, want er bestaat in ons geen realiteit die niet van hem afkomstig is. Wij behoren hem toe. Hij bemint ons, omdat hij zichzelf bemint en wij van hem zijn. Maar hij is de Vader die in de hemelen is. Niet ergens anders. Als wij geloven een Vader hier op aarde te hebben, dan is hij dat niet, maar slechts een valse God. Wij kunnen geen enkele schrede in zijn richting doen. Men kan niet verticaal lopen. Er valt hier niets te zoeken, wij moeten alleen de richting van onze blik veranderen. Hem alleen komt het toe om ons op te zoeken. Wij dienen ons erover te verheugen, dat God oneindig ver buiten ons bereik is. Zo zijn we ervan verzekerd, dat het kwade in ons – zelfs als het ons hele wezen overspoelt – in geen enkel opzicht de goddelijke zuiverheid, gelukzaligheid en volmaaktheid kan aantasten.

Etty Hillesum, 12 juli 1942
Het zijn bange tijden, mijn God. (…)
Ik zal je helpen, God, dat je het niet in mij begeeft… En misschien kunnen we er ook aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je niet ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels, in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbitteringen. En ze zeggen: Míj zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. (…)
En ik zal je alle bloemen brengen, die ik op mijn wegen tegenkom, mijn God, en werkelijk, dat zijn er heel vele.

 

Dorothee Sölle, Mystiek en Verzet, blz. 391
In de opvatting van de bevrijdende theologie bekijkt de met God vereende ziel de wereld met Gods ogen: ze ziet, als God, datgene wat anders onzichtbaar gemaakt wordt en geen rol speelt; ze hoort het gekerm van hongerende kinderen; ze laat zich niet afleiden van de reële ellende; ze wordt één met God in de kennis, in de waarneming en in het handelen. De verlossing bestaat bij de mensen  in de verpauperde wijken niet daarin dat een grote, verre acteur de ellende van de verdrukten opheft maar daarin dat deze verre nabijheid zo dichtbij wordt, dat hij in de en door de met hem één geworden mensen actie onderneemt. Het mystieke oog herkent in de bevrijdende bewegingen, ook als die louter seculier worden geformuleerd, God aan het werk: ziende, horende, handelend. In de contingentie van alfabetiseringprogramma’s  of de gemeenschappelijke bouw van een school manifesteert zich Gods handelen. Het is een mystiek van de “open ogen”…

 

Ida Gerhardt, Buiten Schot, 1947
Verwachting
Weet gij het ook de ganse nacht?
De vogels komen. Aan een geuren
– van wind, van water?- valt te speuren
hoe ’t lage land een komst verwacht.
Morgen het teken aan de lucht
– een frons, een lijn, een krimpend wolken-
en dan, bui van geluid, een vlucht
die dalen gaat: de vogelvolken.
En wéér staan in verwondering
wij tussen dit gevleugeld sneeuwen;
morgen- dan zijn wij, lieveling,
het eerste paar van duizend eeuwen.

Maria de Groot, Liedboek voor Kevin, 1968
Het wreedste raadsel
Het wreedste raadsel waar ik deel aan kreeg
sinds ik door mijn geboorte werd ontbonden
uit oeverloze zee
is schelp te zijn
die niet dan door de ene hand gevonden
kan worden
en die toegesloten blijft
tenzij die ene blik mij treft
en openschrikt het schaaldier
en de tanden
verwekt, de mond
het beenmerg
mens –
o hand en blik
o toorts
kom nu het schuim en wier verbranden.